This month

De Auto & Architectuur #2

Aan de Anthonie van Dijckstraat in de Apollobuurt in Amsterdam-Zuid staan vijf witte herenhuizen die op het eerste gezicht weinig bijzonders verraden. De straat is breed, er is een plantsoen in het midden, en de huizen staan er wat vrij en prominent bij. Maar wie goed kijkt, ziet op de begane grond geen voordeur, geen raam, geen stoep maar een garagedeur. De auto woont hier mee.Dat was in 1937 zo nieuw, dat niemand in Nederland het ooit eerder had gedaan.

De woningen werden gebouwd door Mart Stam, samen met zijn vrouw Lotte Stam-Beese en hun collega Willem van Tijen. Stam was een eigenzinnige architect die zijn sporen had verdiend in Berlijn en Stuttgart, en die als overtuigd communist jaren in de Sovjet-Unie had gewerkt aan nieuwe socialistische steden. Lotte Stam-Beese had aan het Bauhaus gestudeerd en maakte de interieurschetsen. Van Tijen had zijn naam gevestigd met een reeks baanbrekende Rotterdamse flatgebouwen, waaronder de eerste galerijflat van Nederland. Hij had op deze locatie oorspronkelijk een woonhotel willen bouwen. Het werden vijf herenhuizen. Zo gaat dat soms.

Drive-in woningen Anthonie van Dijckstraat.


Terug in Amsterdam richtte Stam zelf een bouwbedrijf op en was zijn eigen opdrachtgever. Dat gaf hem de vrijheid om precies te bouwen wat hij wilde. En wat hij wilde, was een woning die de moderne tijd echt serieus nam. De auto was in de jaren dertig nog het symbool van vrijheid en vooruitgang. Stam gaf die overtuiging een concrete uitwerking: de garage zat niet achteraf in een schuur of om de hoek in een kelder, maar ingebouwd in de voorgevel, netjes tussen de buren, met een 'over the top'-schuifdeur die geruisloos tegen het plafond wegschoof. De buurman had zoiets nog nooit gezien.

Maarde integratie van de auto was slechts het begin. Op de begane grond de garage en de bijkeuken, zodat de echte woonruimte op de eerste verdieping kon beginnen: licht, open, op het zuiden. Een grote L-vormige woonkamer met een glazen schuifwand naar de eetkamer. Een breed balkon van twee bij zes meter.Een 'bloemenvenster' met een breed terrazzo kozijn op de grens van binnen en buiten, zodat de tuin als het ware de kamer in stroomde. En dan: centraleverwarming, een elektrische deurtelefoon, een vuilnisstortkoker, en een boodschappenkastje naast de voordeur dat de leverancier op afstand kon openen. Zodat de bewoner niet voor een pak melk drie trappen af hoefde. Dat was in 1937 al een fijne gedachte.


Drive-in woningen Anthonie van Dijckstraat.

Het zijn details die bijna negentig jaar later nog steeds indruk maken. Niet als frivoliteiten, maar als tekenen van een grondige manier van nadenken over het dagelijks leven: hoe leeft iemand hier werkelijk, van ochtend tot avond? Het Nieuwe Bouwen geloofde oprecht dat een goed ontworpen woning het leven van mensen kon verbeteren. Licht, lucht en ruimte waren geen clichés maar een overtuiging.

Die overtuiging had ook zijn weerslag op de buurt eromheen. Een paar straten verderop staat de Eerste Openluchtschool van Duiker uit 1930, met haar glazen gevels en openvouwende klaswanden. En vrijwel naast de deur staat de Amsterdamse Montessori school, ontworpen door hetzelfde team. Die school won een Prix d'Excellence in Parijs. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed erkent dan ook uitdrukkelijk de ensemblewaarde van de twee gebouwen samen. Ze vertellen hetzelfde verhaal, in dezelfde straat.

De vijf herenhuizen waren het eerste en enige vooroorlogse bouwproject van Stam in Nederland. Na de oorlog keerde hij terug naar Amsterdam, waar hij als nog meerdere gebouwen realiseerde: kantoren, flats en een woontoren. Maar de Anthonie van Dijckstraat bleef zijn meest invloedrijke bijdrage. De woningen zijn inmiddels Rijksmonument, vanwege hun architectuurhistorische waarde, hun betekenis als eerste drive-in woningen van Nederland, en hun plek in het ensemble van het Nieuwe Bouwen in de Apollobuurt.

Pas in de jaren vijftig en zestig werd het idee op grote schaal overgenomen: in Buitenveldert, in de naoorlogse uitbreidingswijken, in de rijtjes die het Nederlandse straatbeeld sindsdien bepalen. De auto had inmiddels zijn belofte van vrijheid ingelost, maar ook zijn schaduwkanten laten zien. Files,ongelukken, parkeerdruk en luchtvervuiling dwongen de stad tot een andere houding. De vraag hoe de auto zich verhoudt tot de mensen die er omheen wonen,is er sindsdien niet eenvoudiger op geworden.

Stam gaf in 1937 een helder antwoord: de auto hoort thuis in het huis, netjes opgeborgen achter een stalen deur, terwijl het leven zich een verdieping hoger afspeelt, in het licht, op het balkon, met uitzicht op het plantsoen. Een antwoord dat zijn tijd ver vooruit was. En dat, als je er op een door de weekse ochtend even bij stilstaat, nog steeds ergens op slaat.