Deze maand
De Auto & Architectuur #6

De auto en architectuur #6: Torengarage Den Haag door Sandor Naus
De Torengarage in Den Haag is de eerste meerlaagse parkeergarage van Nederland. Het door de architect Jan Greve (1880-1962) ontworpen gebouw is een Rijksmoment en nadert zijn honderdste verjaardag: het werd in 1930 in gebruik genomen. Zelf ontdekte ik het pas een half jaar geleden toen ons architectenbureau Monadnock een excursie naar Den Haag organiseerde. Bovengrondse parkeergebouwen, ingepast in stedelijke plannen, zijn actueel. In plaats van kostbare ondergrondse garages die voor altijd onder een gebouw zitten, wordt nagedacht over demontabele constructies en garages die later te transformeren zijn. Want de parkeernorm gaat omlaag, deelmobiliteit is een vast tender-ingrediënt en auto’s verdwijnen in de toekomst uit de stad, zo is het idee. We werken momenteel zelf aan het ontwerp van een meerlaags bovengronds parkeergebouw.

Van de Torengarage was ik direct onder de indruk. Vooral door de prachtige manier waarop het gebouw is ingebed in de stedelijke structuur van het centrum van Den Haag, op een wigvormig terrein ingeklemd tussen de Torenstraat, de Geest en de Pastoorswarande. De architectuur heeft kenmerken van de Nieuwe Haagse School, een aan Art Deco verwante stijl uit het interbellum, en vertoont tegelijkertijd kenmerken van het modernisme. De constructie is van gewapend beton, de grote raampartijen met slanke stalen profielen en de vorm van het gebouw is ontstaan vanuit de destijds nieuwe functie van automobiliteit. De gevels uit gele baksteen, de compositie van vlakken en geometrische volumes, de ornamenten – zoals het torentje met grafische glas-in-loodramen naast de voormalige hoofdingang – en de sterke horizontale en verticale geledingen zijn eerder expressionistisch. Het is de combinatie van deze twee stijlen die de architectuur wat mij betreft zo bijzonder maakt.

Een saillant detail is dat het ontwerp van het gebouw werd afgewezen door de schoonheidscommissie; al werd het desondanks vergund. In de basis heeft het gebouw een ellipsvorm die aan het ene uiteinde wat smaller is dan aan het andere, zoals duidelijk te zien is op een luchtfoto. Die ellips is een doorlopend hellend parkeervlak van vijfhonderd meter lang waarop aan twee zijden van de rijbaan zo’n 400 auto’s geparkeerd kunnen worden. Aan de zuidoostkant, in de scherpe punt van het kavel, strekt de plint van het gebouw zich verder uit, eindigend in een halfronde plattegrond met daarop een koepel die vroeger dienstdeed als autoshowroom. Aan de noordwestkant is de ellips op een fraaie manier samengeklonken met een rechthoekig volume, met een lichte knik die de vorm van de Torenstraat volgt. Hier bevond zich ooit de werkplaats.
Zo kom ik bij wat me het meest fascineert aan de Torengarage: die is helemaal rond de auto ontworpen. Voordat we op excursie gingen verdiepte ik me in het ontwerp omdat ik er iets over zou vertellen. Als autoliefhebber had ik een parkeergarage op ons lijstje zien staan en dat maakte me nieuwsgierig. Tot mijn verbazing zaten er naast een parkeergarage, een werkplaats en een showroom voor een autodealer nog wat meer snufjes in het gebouw. De eerste remmentestbank van Nederland, een autowasplaats met gratis water, een autospuiterij, een autostoffeerderij, 85 afsluitbare garageboxen, een fietsenstalling voor 700 fietsen en zelfs een kapperszaak. Er was personeel om auto’s in en uit te rijden en om hun eigenaren met een taxidienst naar huis te brengen. Speciaal voor wachtende chauffeurs – auto-eigenaren lieten zich nog veelal rijden – was er een kantine met een biljart en een intercomsysteem op iedere verdieping zodat de baas hen op kon roepen. En dan de perforaties in het metselwerk voor ventilatie, net boven de randen van de betonnen hellingbanen, precies ter hoogte van de uitlaten van de auto’s.

De Torengarage was als multifunctioneel gebouw in 1930 revolutionair. Nog maar een goede veertig jaar eerder werd de eerste moderne auto ontwikkeld, de Benz Patent-Motorwagen; een driewielig vehikel dat nog veel weg had van een kleine open koets. De ontwikkeling van de auto nam daarna een enorme vlucht en tussen 1900 en 1930 groeide het autoverkeer snel. In de westerse historische binnensteden, met hun smalle straten en dichte bebouwing, was geen parkeerruimte.
De Torengarage past dan ook in een internationale ontwikkeling. In steden als Londen, Parijs en Berlijn werden rond die tijd de eerste gestapelde garages gebouwd, vaak aan belangrijke verkeersknooppunten. Voorbeelden zijn de Londense City & Suburban Electric Carriage Company Garage uit 1901, die als de eerste meerlaagse garage ter wereld wordt beschouwd. En de neoclassicistische Macy’s Garage uit 1926 van Wimperis & Simpson. In Parijs verrezen in 1906 Garage Ponthieu van Auguste Perret en in 1929 Garage Marbeuf, waarvan Jean Prouvé de constructeur was. In Berlijn ontstonden ‘Autopaläste’, grote multifunctionele autogebouwen waarvan de Kantgarage uit 1930 van Zweigental & Paulick de eerste en misschien wel de bekendste is. Net als deze buitenlandse voorbeelden combineerde de Torengarage parkeren, onderhoud, verkoop en dienstverlening in één gebouw.
Dit was voor Nederland zó revolutionair dat het oorspronkelijke programma maar een jaar stand hield; het publiek bleek er nog niet klaar voor. In 1931 kocht het Amsterdamse bedrijf RIVA (Reparatie Inrichting Voor Automobielen) het gebouw en werd het ingericht als een gigantische showroom voor de verkoop en opslag van auto’s van de Amerikaanse General Motors-merken Buick, Chevrolet en Oldsmobile. Toen dit bedrijf verhuisde naar de Binckhorstlaan, kocht de gemeente het pand en kreeg het zijn oorspronkelijke functie als parkeergarage terug.

In 1990 werd het gerenoveerd door architect Walter van Nieuwland, die trots was op zijn idee om de ramen langs de hellingbanen te vervangen door geperforeerde staalplaten. Daarmee werd een betere ventilatie bereikt zonder omvangrijke installaties toe te voegen en bleef het oorspronkelijke uiterlijk met bandramen behouden. Esthetisch kan me dit 36 jaar later niet overtuigen, ook al is de oplossing rationeel en logisch. Verder werd de ingang van de garage verplaatst van Torenstraat naar Geest en kwamen er woningen en kantoren in een deel van het gebouw. De halfronde uitbouw aan de zuidoostzijde werd een horecagelegenheid, Grand Café Greve, waarvan de inrichting door Marlies Röhmer werd vormgegeven. Helaas werd dit in 2008 gesloopt om plaats te maken voor een grote horecaketen.
Na een kleine honderd jaar is de Torengarage nog steeds in een mooie staat, goed beschermd door zijn status als Rijksmonument. De baksteenarchitectuur levert in mijn ogen een flinke bijdrage aan deze lange levensduur. En er wordt nog steeds geparkeerd, inmiddels als onderdeel van een groot internationaal parkeerbedrijf. Als autoliefhebber zou ik graag het autowalhalla van weleer zien terugkeren, maar zonder nostalgische bril stel ik vast dat het gebouw als architectonisch object – ook met een iets ander programma – zijn rol voor het centrum van de stad nog steeds op een prachtige manier vervult.





















